Er zijn nogal eens zaken waar je vooraf niet aan denkt en waarmee een partner/echtgeno(o)t(e) of erfgena(a)m(en) achteraf geconfronteerd worden. Een aantal van die ‘missers’ zullen we de komende weken bespreken.
Voorbeeld 1: Ongelijke inbreng in het huis
Een stel heeft jaren terug keurig alles geregeld bij de notaris in een samenlevingsovereenkomst toen ze een huis aankochten. Daarbij heeft de ene partner € 10.000 meer ingebracht bij de aankoop dan de ander. In de samenlevingsovereenkomst is bepaald dat dit een nominale vordering is van degene die dit bedrag meer heeft betaald op de andere partner. Dit betekent dat het bedrag dat te vorderen is, gelijk blijft en niet stijgt of daalt als de waarde van de woning meer of minder wordt.
Bij uit elkaar gaan dient de partner die de € 10.000 schuldig is, dit bedrag uit het aandeel van de verkoopopbrengst van diegene aan de ander terug te betalen. Recent zijn deze partners met elkaar getrouwd. Ze hebben voorafgaand aan hun huwelijk géén huwelijkse voorwaarden gemaakt. In de wet staat dat op een dergelijke vordering de beleggingsleer van toepassing is.
Dat betekent dat de vordering wél stijgt of daalt als de waarde van de woning meer of minder wordt. Uiteraard verwachten ze nooit te scheiden, maar stel dat dat wel het geval is en op dat moment is de woning meer waard geworden, dan is de vordering dus ook veel groter. Bij navraag aan dit stel toen zij toevallig voor iets anders op kantoor waren, bleek dat dit helemaal niet hun wens was.
Zij dachten dat door het huwelijk de vordering was vervallen en waren blij dat dit door ons uit ons zelf aan de orde werd gesteld. Ze gaan nu wat hierover op papier zetten, zodat de vordering vervalt en er in de toekomst geen onaangename verrassing is op dit vlak. Dit voelt voor hen onderling wel zo eerlijk.
Volgende een volgende misser.