Er zijn nogal eens zaken waar je vooraf niet aan denkt en waarmee een partner/echtgeno(o)t(e) of erfgena(a)m(en) achteraf geconfronteerd worden. Een aantal van die ‘missers’ zullen we de komende weken bespreken.
Voorbeeld 2: Een tweede huwelijk en kinderen van de ander
Vele jaren na het verlies van hun eerste echtgenoten, vinden twee mensen de weg naar elkaar en besluiten samen in het huwelijksbootje te stappen. Beiden hebben kinderen uit hun eerste huwelijk. Zodoende hebben die kinderen een vordering op hun langstlevende ouder voor wat betreft hun erfdeel van hun overleden ouder.
Dit erfdeel was bij het overlijden van die eerste ouders netjes op papier vastgesteld, dus we hadden inzicht in de hoogte daarvan. Deze mensen dachten echter dat als zij met elkaar zouden trouwen, dat die vorderingen dan pas opeisbaar zouden zijn bij overlijden van de langstlevende van hén. Toen ik vertelde dat dat niet zo was reageerden zij zeer verbaasd: “In de wet staat toch dat alles op de langstlevende gaat?”
Maar kinderen mogen het erfdeel van hun eerst overleden ouder niet opeisen zolang hun langstlevende ouder leeft, maar bij overlijden van die langstlevende ouder, wél. Aangezien dit stel ieder hun eigen huis ging verkopen en samen een nieuw huis aankochten, waar een groot deel van hun verkoopopbrengsten voor gebruikt zou worden, werd hen nu duidelijk dat het heel belangrijk was om te onderzoeken hoe de langstlevende van hen die erfdelen zou kunnen uitkeren aan de kinderen van de ander. Het geld zou dan namelijk grotendeels in de bakstenen zitten.
Daarnaast moest ik hen ook nog duidelijk maken, dat de vorderingen van de kinderen ook nog jaarlijks groter worden door een samengestelde rente van 6% op die vorderingen. Hierdoor werd hun probleem in deze eigenlijk ieder jaar nog groter. U zult begrijpen dat één bespreking hiervoor niet volstond en dat zij best geschrokken waren over hoe het zat. Maar hun woorden: “Beter dat we het probleem nu hebben geconstateerd, dan na overlijden van één van ons. Dan kunnen we nu samen aan een oplossing werken.”
Rinske Mantel